Klik op de kleine foto om verder of terug te gaan

Tuchthuis

Voormalig "Tuchthuis", modo "Korrektie", voorheen volledig omwaterd, functioneel complex uit het laatste kwart van de 18de eeuw, gelegen in een bocht van de Zenne ten zuiden van Vilvoorde-centrum, aan de westzijde wordt het ensemble thans begrensd door de Willebroeksevaart. Naderhand in gebruik als hospitaal, opvangtehuis voor bedelaars en kazerne "Luitenant Van Lerberghe", sinds 1981 als onderkomen voor een aantal stadsdiensten en socio-culturele verenigingen. De oorspronkelijke, geïsoleerde beslotenheid en de monumentaliteit van het complex gingen voor een groot deel verloren door de inplanting van 20ste-eeuwse uitbreidingen tussen de hoofdvleugel en de Zenne en door de gedeeltelijke afbraak van de achttiende-eeuwse ommuring van het voorhof.

Historiek

In de periode 1375-1380 liet Wenceslas, hertog van Brabant, in deze omgeving een hertogelijke burcht oprichten onder leiding en toezicht van Adam Gheerijs; deze burcht, volledig omgracht en opgetrokken naar voorbeeld van de Parijse Bastille, was gelegen buiten de stadsmuren en vormde het sluitstuk van het Vilvoordse verdedigingspatroon; ze was in eerste instantie immers bedoeld als controlepost om de machtige steden Brussel en Leuven in bedwang te houden; vanaf 1408 deed ze ook dienst als staatsgevangenis.

Gravures uit de 17de en 18de eeuw tonen ons een gesloten waterburcht op rechthoekige plattegrond met een grote binnenplaats, zware hoektorens, een inkomtoren en een aantal kleinere torens; in de zuidwestelijke hoek van de binnenplaats was een kapel ingericht. Dezelfde bronnen getuigen van herhaaldelijke verbouwingen en aanpassingen met weinig respect voor het oorspronkelijke uitzicht. In 1774 was het slot zo erg verwaarloosd en vervallen dat het met de grond gelijk werd gemaakt: een overgroot gedeelte van het afbraakmateriaal werd hergebruikt voor de bouw van een modelgevangenis, het zogenaamde tuchthuis of "Provinciaal Korrektiehuis".

Kaderend in de grondige mentaliteitswijziging ten tijde van de Verlichting ontstonden er in de 18de eeuw ook vernieuwende ideeën ten opzichte van het gevangeniswezen. Gebaseerd op een meer humanitaire instelling, vooral met betrekking tot de licht gestraften, opteerde men voor heropvoeding of correctie; vroegere folteringen en lijfstraffen werden vervangen door een opsluitingsysteem met arbeidsdwang; luiheid was immers de wortel van alle kwaad. Op vraag van de Staten van Brabant van 1766 werd in 1771 beslist een nieuw "verbeteringsgesticht" te bouwen. Als vestigingsplaats werd geopteerd voor Vilvoorde vooral door het voorhanden zijn van goedkope arbeidskrachten en ruime bouwterreinen in de omgeving van de Zenne. Aansluitend werd een wedstrijd uitgeschreven waaraan meerdere befaamde architecten deelnamen, waaronder N. Pierreux, C.J. Everaert en B. Guimard. Het was uiteindelijk Laurent Benoit Dewez (1731-1812), hofarchitect van Karel van Lotharingen, die de opdracht toegewezen kreeg en belast werd met het toezicht op de werken; hij liet zich in eerste instantie inspireren door Gent waar al in 1772 was gestart met de bouw van een "moderne" gevangenis; in overeenstemming met de tijdsmentaliteit werd er vooral aandacht besteed aan onder meer hygiëne, gezondheid en ventilatie; in dezelfde optiek koos men voor de afzonderlijke opsluiting van mannelijke en vrouwelijke gevangenen; ook het toezicht op de gevangenen, de veiligheid en de isolatie ten opzichte van de rest van de stad stonden centraal in het nieuwe bouwprogramma.

Zoals hoger vermeld werd het eeuwenoude kasteel in 1774 gesloopt; dit gebeurde onder leiding van aannemer Pierre Desoul, die het gerecupereerde afbraakmateriaal grotendeels gebruikte voor de funderingen. In tegenstelling tot de oude burcht werd de nieuwe gevangenis gebouwd op de linkeroever van de Zenne zodat het nieuwe complex door het graven van enkele zijkanaaltjes volledig door water omgeven werd, onder meer in functie van de veiligheid. De bouwwerken werden aangevat in 1776; op 11 februari 1779 volgde de officiële opening.

De oorspronkelijke plannen van L.B. Dewez, bewaard in het Algemeen Rijksarchief, vertonen een gesloten rechthoekig complex met een grote binnenplaats die in twee wordt gedeeld door een haakse, centrale dienstenvleugel; het linkergedeelte werd ingericht als mannenkwartier, het rechtse als vrouwenkwartier. Op de rechtse binnenplaats werd door een bijkomende haakse vleugel een ruimte voor gevangenispersoneel afgebakend. Uitwendig gaat het om een vrij log gebouw waarvan de gevels bezaaid zijn met vier rijen van uiterst kleine celvenstertjes; de muren hebben een dikte van 70 cm tot 1 m. Ten oosten van het gesloten complex lag een ommuurd voorhof en aansluitend het poortgebouw met de portierswoning. Dewez kreeg meermaals kritiek op zijn realisatie omwille van de sterk functionele opvatting en het sombere uitzicht; ondanks de principes uit de tijd, waarbij het toch de bedoeling was het lot van de gevangenen te verbeteren, waren de cellen zeer klein; ze waren bovendien slecht verlicht en verlucht door kleine getraliede vensters. Hevige kritiek was er ook op de ongezonde ligging nabij de Zenne en de schaarsheid aan versieringen.

Ten tijde van de Franse Revolutie, in 1793, werd het ensemble tijdelijk ingericht als ziekenhuis en opvangcentrum voor bedelaars; al in 1794 werd het volledig omgevormd tot militair hospitaal; de kleine criminelen werden vrijgelaten, de overigen werden overgebracht naar andere tuchthuizen. Vanaf 1798 opnieuw in gebruik als gevangenis. In het begin van de 19de eeuw was er een enorme toename van het aantal gevangenen, mogelijk ten gevolge van het verzet tegen het Franse regime; ook het aantal sterfgevallen nam onrustbarend toe zodanig zelfs dat de Korrektie een eigen begraafplaats kreeg buiten de stadswallen, aan de verbindingsweg met Koningslo, ten zuiden van de huidige Teniersstraat, in de hoek gevormd met de De Saedeleerstraat. Vanaf 8 juli 1866 kreeg de strafinrichting als nieuwe benaming "Maison penitentiaire de Vilvorde"; ze diende toen enkel nog voor veroordeelde militairen en bepaalde categorieën van correctioneel veroordeelden; vanaf 1871 werd het complex overgedragen aan het Ministerie van Oorlog; er werden toen tuchtcompagnieën ondergebracht tot het in 1913 werd ingericht als kazerne voor carabiniers (Kazerne Luitenant Van Lerberghe); deze functie bleef behouden tot in 1974. Nadien werden de gebouwen ingenomen door jeugdverenigingen en vanaf 1981 ook door diverse stadsdiensten. In 2002 werd door het stadsbestuur een wedstrijd uitgeschreven om ideeën te verzamelen voor mogelijke nieuwe bestemmingen en de herinrichting van de omgeving.

De opmetingsplannen van 1778 van F. Somers en dat van 1787 door landmeter C.J. Everaert, alle bewaard in het Algemeen Rijksarchief, tonen ons het oorspronkelijke gevangeniscomplex als een symmetrisch opgebouwd, gesloten ensemble van vier vleugels rondom een grote binnenplaats die door een dwarse verbindingsvleugel voor diverse diensten in het midden werd gehalveerd tot twee kleinere binnenplaatsen. Op de rechtse binnenplaats is ook de bijkomende haakse verbinding aanwezig waardoor een ruimte voor het personeel werd afgebakend; het gehele complex werd toen omgeven door moestuinen. Op de Vandermaelenkaart (1837), de kadasterkaart van Popp uit het midden van de negentiende eeuw (circa 1860) en de stadsplattegrond van J. Waroquiers van 1906 zien we dat er in de loop van de negentiende eeuw nog kruisvormige verbindingsvleugels werden bijgebouwd, waardoor de binnenplaatsen uiteindelijk in acht kleinere werden verdeeld. Ook de aan de oostzijde haaks op de 18de-eeuwse hoofdvleugel liggende aanbouwsels, dateren uit de 19de eeuw en werden vermoedelijk toegevoegd in de periode 1860-1867, zoals blijkt uit topografische en kadasterkaarten. Het waren echter enkel de buitenvleugels die vier bouwlagen met cellen bevatten, aan de buitenzijde van een lange, overwelfde gang, die doorliep over de vier vleugels; de cellen zelf waren zeer klein (1,8 m x 1,2 m) en afgesloten met zware eiken deuren. De centrale verbindingsvleugels omvatten onder meer een aantal ateliers en magazijnen; ten zuidoosten van het gesloten complex werden in de periode 1867-1907 nog een lijkenhuisje en een isolatiepaviljoen voor besmettelijke zieken opgericht. Volgens de mutatieschetsen van het kadaster was een groot deel van de gebouwen circa 1950 verdwenen. Thans rest slechts de oostvleugel, meer bepaald de hoofdvleugel, een gedeelte van de noordvleugel en enkele negentiende-eeuwse aanbouwsels, onder meer een overblijfsel van de (kruisvormige) verbindingsvleugels ten zuidwesten.

De west- en zuidvleugels werden in 1919 zwaar beschadigd door de ontploffing van "'t Poeierke" (buskruitfabriek Favier) en vermoedelijk ten gevolge hiervan naderhand gesloopt; bij het rechttrekken van de Zenne in de jaren 1980 werden een aantal fundamenten, evenwijdig en haaks met het nog bestaande gedeelte, evenals keldergewelven teruggevonden. Door deze slopingswerken werd het oorspronkelijke complex nagenoeg gehalveerd. Het terrein tussen het complex en de Zenne werd in de loop van de 20ste eeuw volgebouwd met allerhande constructies, thans overwegend in gebruik als onderkomen voor diverse stadsdiensten.

Beschrijving

Oorspronkelijk bepleisterd en beschilderd, classicistisch ensemble, opgebouwd langs een centrale as, met poortgebouw ten oosten en de resten van het voormalige gevangeniscomplex ten westen, van elkaar gescheiden door een ommuurd voorhof met lindedreef en ereplein tussen twee haaks op de 18de-eeuwse hoofdvleugel liggende aanbouwsels, toegevoegd in de periode 1860-1867.

Gedecapeerd, rechthoekig poortgebouw, opklimmend tot het einde van de achttiende eeuw, doch vermoedelijk uitgebreid met de rondboogarcade in de loop van de 19de eeuw. Oude kaarten en opmetingen tonen bij aanvang immers een opmerkelijk kleinere constructie, hoewel het huidige uitzicht volledig aansluit bij het classicistische karakter van het geheel; hieruit kan afgeleid worden dat het ontwerp mogelijk wel werd opgemaakt door dezelfde architect en pas naderhand werd uitgevoerd. De constructie zit gevat tussen de gedeeltelijk gebogen, bakstenen omheiningsmuren van het achterliggende voorhof.

Baksteenbouw van zeven traveeën en anderhalve bouwlaag onder leien schilddak. Rondboogarcade met bepleisterde pijlers op een arduinen sokkel en begrensd door geblokte hoeklisenen. Centraal puntgevelrisaliet met rondboogdoorgang in blauw-witgeschilderde, geblokte omlijsting met zware imposten; aflijnende houten kroonlijst op modillons. Inwendig roodbeschilderde galerij op gepikte plint met getraliede, in de loop van de 20ste eeuw aangepaste muuropeningen; de oorspronkelijk hoge rondboogvensters zijn thans ontdubbeld tot een rij rechthoekige muuropeningen onderaan en een rij rondbogige erboven; hardstenen vloer en dwarse tongewelven met I-lateien, mogelijk een referentie aan de latere bouwperiode van de arcade. Aan binnenplaatszijde: gekalkte lijstgevel op gepikte plint, voorzien van eenvoudige, gedeeltelijk aangepaste, rechthoekige vensters, op de begane grond in vlakke omlijsting.

Een lindedreef in het verlengde geeft toegang tot het voormalige ereplein, aan weerszijden begrensd door de twee haakse aanbouwsels uit de tweede helft van de 19de eeuw; in de as van de dreef bevindt zich de hoofdingang, in het midden van de resterende oostelijke hoofdvleugel.

Relatief lange hoofdvleugel, refererend aan de voormalige monumentaliteit van het complex, in een strakke, classicistische stijl. Deze constructie dateert uit de 18de eeuw, maar werd gedeeltelijk, doch grondig aangepast tijdens het interbellum, toen in het centrale deel, oorspronkelijk de ruimten voor de gevangenisdirecteur en het personeel, in de plaats van twee, drie bouwlagen werden gerealiseerd; ten gevolge hiervan kreeg dit gedeelte inwendig een betonnen skeletstructuur; aan de buitenzijde werden de benedenvensters verlaagd en de bovenvensters verhoogd zodat er een derde rij ramen kon worden tussen geschoven. De oorspronkelijke dakstructuur werd vermoedelijk na de ontploffing van de buskruitfabriek in 1919 grotendeels vervangen door de huidige Polonceauspanten; enkel rechts bleef een gedeelte van de oorspronkelijke dakstructuur bewaard.

Voorheen beschilderde, onderkelderde baksteenbouw van oorspronkelijk twee, thans drie bouwlagen onder leien schilddak met brede dakkapellen, vermoedelijk toegevoegd in het midden van de twintigste eeuw; schaarse aanwending van natuursteen. Oostgevel met centraal inkomrisaliet van vijf traveeën, geritmeerd door geblokte lisenen; bekronend driehoekig fronton met oculus; rechthoekige vensters in vlakke omlijsting en eenvoudige rondboogdeur in geblokte omlijsting, bovenaan uitwaaierend, oorspronkelijk de toegang voor het personeel. De toegangen voor de mannelijke en de vrouwelijke gevangenen bevonden zich respectievelijk links en rechts ter hoogte van de tweede en elfde travee. De rest van de gevel aan het ereplein vertoont een gelijkaardig uitzicht. Aan de andere zijde van de haakse aanbouwsels vertoont deze vleugel echter een sterk gesloten karakter met steigergaten en vier symmetrische rijen van kleine celraampjes in een hardstenen omlijsting; inwendig behield dit gedeelte zijn oorspronkelijke planindeling en is er per verdiep een lange, overwelfde gang, die aanvankelijk doorliep over de vier vleugels; de cellen die zich aan de buitenzijde bevinden, zijn zeer klein (1,8 m x 1,2 m) en overdekt met een tongewelf, haaks op het tongewelf van de gang; ze zijn afgesloten door zware eiken deuren voorzien van een schuifslot en een spionnetje. Per twee verdiepingen met cellen is er aan de binnenplaatszijde telkens één hoge werkruimte met tongewelf.

De gedeeltelijk roodbeschilderde, haakse aanbouwsels, zes + drie traveeën, met imitatiehoekblokken, werden toegevoegd in de periode 1860-1867 op de plaats waar door Dewez wachtgevels voorzien waren. Qua uitzicht sluiten deze aanbouwsels volledig aan op het classicistische concept van de hoofdvleugel; ze bestaan uit drie bouwlagen in verkleinende ordonnantie onder afgewolfde, leien zadeldaken en vertonen rechthoekige, op de begane grond getraliede vensters. Inwendig hebben deze aanbouwsels eenvoudige kruisgewelven op de begane grond.

De westelijke achtergevel van de hoofdvleugel, oorspronkelijk de binnenplaatsgevel heeft nog een aantal getraliede rechthoekige vensters, maar de meeste muuropeningen werden hier aangepast en/of voorzien van nieuw schrijnwerk, vaak in functie van de meermaals gewijzigde bestemmingen; muurfragmenten van recente baksteen en verspreide bouwsporen verwijzen naar vroegere, thans gesloopte aanbouwsels; zo refereert het gecementeerde middengedeelte aan de 18de-eeuwse haakse verbindingsvleugel met dienstruimten die werd gesloopt in de periode 1930-1979. Het overblijvende gedeelte van de noordvleugel heeft min of meer hetzelfde uitzicht met verkleinde vensters aan binnenplaatszijde; ook de nog bestaande 19de-eeuwse, lagere verbindingsvleugels vertonen sterke aanpassingen en gewijzigde muuropeningen, thans rechthoekig in de plaats van rondbogig.

Bron: Kennes H. met medewerking van Steyaert R. 2005: Inventaris van het bouwkundig erfgoed, Provincie Vlaams-Brabant, Gemeente Vilvoorde, Deelgemeenten Vilvoorde en Peutie, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen VLB1, (onuitgegeven werkdocumenten).

Auteurs: Kennes

Datum tekst: 2005