Klik op de kleine foto om verder of terug te gaan

Het Stadhuis

Stadhuis in neoclassicistische stijl naar ontwerp van de Brusselse architect Antoine Trappeniers, met eerstesteenlegging op 15 mei 1870 en inhuldiging op 11 mei 1873, zie gedenkplaten in de hal, het jaartal MDCCCLXX (1870) in de gevel en de bouwplannen bewaard op de Dienst Stadswerken; bij het kadaster al ingetekend in 1870. Naar aanleiding van het honderdjarige bestaan in 1973 grondig gerestaureerd en opgefrist onder leiding van architect J. Doms; tegelijkertijd werd de bouwvallige, romantisch getinte bovenstructuur van de voorgevel om veiligheidsredenen vervangen door de huidige. Nadien werden nog kleinere herstellingswerken uitgevoerd, waaronder het vernieuwen van ramen en deuren. Vanaf begin 2004 voorziet men grondige renovatiewerken naar ontwerp van Peter Bollen (Ontwerpbureau Plaza N.V.) van 2003 met onder meer de vernieuwing van het dak en de inkompartij aan de Lange Molenstraat, die de voornaamste ingang zal worden voor de bezoeker.

Betreffende het ontstaan en de evolutie van een stadhuis in Vilvoorde zijn tot heden slechts weinig gegevens voorhanden. Volgens sommige historici was er al sprake van een stadhuis in 1239; het brandde samen met de omliggende huizen af in 1489 tijdens de opstand tegen Maximiliaan van Oostenrijk en werd naderhand, vermoedelijk in het begin van de zestiende eeuw, heropgebouwd. In 1821-1822 werd de voorgevel van dit waarschijnlijk zestiende-eeuwse stadhuis herbouwd in een classicistische stijl, in 1869-1870 gevolgd door de volledige afbraak om plaats te maken voor een totaal nieuwe constructie. Ten gevolge van de sterke bevolkingstoename en de bouwvalligheid van het toenmalige gebouw besliste de gemeenteraad in 1859 immers om een nieuw gemeentehuis te bouwen. Deze beslissing kaderde in de enorme bouwwoede die er heerste op dat moment en parallel verliep met de ontwikkeling van Vilvoorde tot industriegemeente; zo waren er een aantal grootse realisaties in het vlak van openbare werken, zoals de overwelving van de Zenne, de ontsluiting van de stationswijk, de aanleg van het kerkhof… Het duurde echter tien jaar voor het prestigieuze project tot een goed einde kwam; het ontwerp beantwoordde volledig aan de tijdsgeest waarin alles opgeofferd werd ten voordele van het monumentale karakter met de nadruk op "decor" ten gevolge van het groeiende bewustzijn van nationalisme. In dezelfde context werd het interieur vrij sober gehouden. Het plan dat ook voorzag in lokalen voor het Vredegerecht en de Tekenschool werd opgemaakt naar ontwerp van architect A. Trappeniers en werd goedgekeurd op 22 augustus 1868. De beelden van allegorische figuren bedoeld om de nissen te vullen, werden op advies van de Commissie voor Monumenten niet geplaatst. Zoals blijkt uit oude foto's, zijn trouwens de oorspronkelijke dakornamenten bestaande uit siervazen en een leeuw, volledig passend in de toenmalige romantische stijlstroming, thans eveneens verdwenen, evenals een aantal dakkapellen en de attiek; het perron aan de voorzijde, dat oorspronkelijk ook op de bovenverdieping overdekt was en voorzien van een uitgewerkte bekroning, werd omwille van bouwvalligheid bij de restauratie van 1973 vereenvoudigd en op de verdieping herleid tot een balkon met balusterafsluiting; het deurvenster, geflankeerd door geringde driekwartzuilen kreeg een driehoekig fronton ter bekroning.

Monumentaal, onderkelderd complex op rechthoekige plattegrond, gevat tussen de Grote Markt aan de noordzijde, de Jean Preckherstraat aan de oostzijde, de Lange Molenstraat aan de zuidzijde en de Karel Jan Frans Pootstraat aan de westzijde. In feite bestaat het complex uit twee onderscheiden delen, een rechthoekig voorgebouw van vijf traveeën en twee bouwlagen onder schilddak aan de Grote Markt en aansluitend vier aaneengesloten vleugels, geschikt rondom een kleine vide. Het voorgebouw met een verhoogde begane grond en een arduinen parement, meer bepaald blauwe hardsteen uit Ecausinnes, wordt gemarkeerd door een sterk uitgewerkte inkompartij, bestaande uit een overdekt bordes met aan weerszij een steektrap met balusterleuning en rondbogige doorgangen; hogerop een rondbogig deurvenster met sierlijk ijzerwerk, geflankeerd door geringde driekwartzuilen en bekroond door een driehoekig fronton. De voorgevel kreeg trouwens een sterk horizontaal accent door het aanwenden van imitatiebanden en doorgetrokken pui- en waterlijsten. Karakteristiek voor het neoclassicisme is het veelvuldige voorkomen van entablementomlijstingen voor de rondbogige of rechthoekige muuropeningen met vernieuwd schrijnwerk, ritmerende pilasters, driehoekige frontons en een klassiek hoofdgestel; de symmetrisch uitgewerkte zijgevels van het voorgebouw vertonen een gelijkaardig beeld; de hoeknissen waren oorspronkelijk bedoeld voor allegorische beelden. De gevels van de aansluitende vleugels zijn gedeeltelijk bepleisterd en sluiten qua uitzicht in sterk vereenvoudigde versie aan bij het hoofdgebouw.

Ook het interieur, over het algemeen genomen vrij eenvoudig, is uitgewerkt met neoclassicistische elementen: centraal ligt de bepleisterde en beschilderde inkomhal met trapzaal, omgeven door kantoorruimten; de trouwzaal onmiddellijk rechts, de raadszaal links; verder zijn er de kantoren van de gemeentesecretaris en de schepenen; achteraan administratieve ruimten, de hal wordt in drie gedeeld door zuilenrijen en bundelpijlers met klassiek hoofdgestel en heeft achteraan een imperiale trap en een indrukwekkend glasraam met een allegorische voorstelling van de stad; dit raam is een realisatie van de Brusselse glazenier Louis de Contini en werd voor het eerst tentoongesteld op de wereldtentoonstelling van Antwerpen in 1893; het werd in 1903 overgebracht naar het stadhuis van Vilvoorde als aandenken aan een bezoek van Koning Leopold II op 7 mei 1893 naar aanleiding van de inhuldiging van de watertoren in de Lange Molenstraat; in 1919 werd het glasraam zwaar beschadigd bij de explosie van "’t Poeierke", doch nadien gerestaureerd. De neoclassicistisch uitgewerkte feestzaal op de bovenverdieping wordt geritmeerd door gecanneleerde pilasters met verguld, Korinthisch kapiteel ter ondersteuning van een omlopend klassiek hoofdgestel; de rechthoekige deuren zijn gevat in een entablementomlijsting met bekronend driehoekig fronton. Een aantal werken van plaatselijke kunstenaars worden in het stadhuis bewaard, onder meer van Jan-Frans Portaels (1818-1895) in het kabinet van de burgemeester.

Bron: Kennes H. met medewerking van Steyaert R. 2005: Inventaris van het bouwkundig erfgoed, Provincie Vlaams-Brabant, Gemeente Vilvoorde, Deelgemeenten Vilvoorde en Peutie, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen VLB1, (onuitgegeven werkdocumenten).
Auteurs: Kennes, Hilde