Klik op de kleine foto om verder of terug te gaan

Karmelietessenklooster Onze-Lieve-Vrouw ten Troost

Deze eeuwenoude stichting vormt thans een ommuurde, beeldbepalende inplanting op de hoek met de Leuvensestraat. Het ensemble bestaat uit de kapel en aansluitend ten noordoosten het vierkante kloosterpand, met ten noorden aanhorigheden als de voormalige strijkplaats, washuis en schrijnwerkerij en een tuin ten oosten. De kapel werd beschermd bij KB van 05/01/1973.
 

Historiek

De geschiedenis van het klooster klimt op tot de dertiende eeuw toen het begijnhof van Stee(n)voorde werd opgericht buiten de stadsmuren, tussen de Leuvensesteenweg en de Woluwe; dit begijnhof zou opgericht zijn in de eerste helft van de dertiende eeuw door hertogin Sophia van Thuringen die gehuwd was met Hendrik II, hertog van Brabant. Volgens de legende zou zij de begijnen begiftigd hebben met een beeld van de Heilige Maagd, dat later aan de basis lag van het ontstaan van een grote begankenis. In 1469 gaf Karel de Stoute een aantal Luikse karmelietessen de toelating om zich te vestigen in dat begijnhof, waar ze vanaf 1470 samenwoonden met en zelfs gedeeltelijk de plaats innamen van de begijnen. Tijdens de godsdiensttroebelen in 1578 werd het hof vernield of om strategische redenen volledig afgebroken en verhuisden de karmelietessen naar Mechelen; ze keerden terug naar Vilvoorde in 1586 en vonden toen een onderkomen in de Leuvensestraat, in de gebouwen waar sinds het midden van de veertiende eeuw het Sint-Niklaasgasthuis gevestigd was; het vervallen onderkomen werd grondig gerestaureerd, aangepast en uitgebreid; het Sint-Niklaashospitaal zelf verhuisde naar de overzijde van de straat en werd opgeheven tijdens de Franse Revolutie, waardoor het volledig uit het stadsbeeld verdween. Bij hun verhuis brachten de karmelietessen het miraculeuze Mariabeeld mee dat oorspronkelijk toebehoorde aan de begijnen, die het circa 1248 als geschenk ontvingen van hertogin Sophia van Thuringen.

In de zeventiende eeuw kende het karmelietessenklooster een relatieve bloei en al in 1641, ten tijde van priorin Anna Lamant, werd gestart met de bouw van een nieuw klooster dat omwille van het gesloten karakter volledig werd ommuurd; het zusterkoor met flankerende toren werd gebouwd door meester-metselaar Pierre Dufour ter uitbreiding van de oorspronkelijke Sint-Niklaaskapel; de werken werden voltooid in 1646. Een gravure in Sanderus' "Choreographia Sacra Brabantiae" toont ons het toenmalige, grosso modo rechthoekige kloostercomplex met de kapel en het zusterkoor in de zuidwestelijke hoek en de L-vormige kloostergebouwen met binnenhof ten noordoosten ervan; ten noorden aansluitend en opgenomen in de omheiningsmuur enkele dienstgebouwen en andere aanhorigheden; de boomgaard lag ten noordoosten van het klooster, de moestuin ten oosten en ten zuidoosten. Het klooster besloeg toen de ganse oppervlakte tussen de gebogen Leuvensestraat, de huidige Ferdinand Campionlei en de Trooststraat.

Weldra was ook de oorspronkelijke kapel te klein geworden zodat een nieuwe werd gebouwd tussen 1663 en 1665. Op 19 maart 1663 werd de eerste steen gelegd door R.P. Ari, de generaal-prior van de karmelieten; de kapel, een barokke centraalbouw die aansloot op het bestaande, rechthoekige zusterkoor, werd gerealiseerd naar tekeningen van broeder Macharius onder toezicht van Peeter Merx; de inwijding gebeurde op 6 september 1671 door de Mechelse aartsbisschop Alfons de Berghes. Zoals blijkt uit de bouwrekeningen volgde in de periode 1682-1683 de verdere opbouw van het kloosterpand; desondanks wordt er in de archieven in 1722 al melding gemaakt van de slechte toestand van het klooster en worden in de loop van 1720-1727 enkele verbouwingswerken, maar vooral verbeteringen uitgevoerd. Ook in de loop van de volgende eeuwen gebeurden regelmatig herstellingswerken, zoals het vernieuwen van de bedaking en het vervangen van ramen.

Vermits de Vilvoordse karmelietessen intussen een meisjesschool voor dochters uit de gegoede burgerij hadden opgericht, ontsnapten zij aan de opheffing van hun klooster ten tijde van keizerkoster Jozef II. Tijdens de Franse Revolutie, meer bepaald in het jaar 1796, werden de kloosterlingen echter wel verdreven en de gebouwen werden openbaar verkocht in 1799; pas in 1802 konden de zusters opnieuw hun klooster betrekken nadat ze het via tussenpersonen zelf hadden teruggekocht. Een opmetingsplan van de hand van P.J. De Rijcke van 9 mei 1799, bewaard in het Rijksarchief, toont ons de toenmalige situatie: de basisplattegrond is nog steeds dezelfde als op de gravure van Sanderus, maar de kloostergebouwen werden uitgebreid tot een pand van vier vleugels rondom een binnenhof. Ook de centraalbouw van de kapel die aansluit op het rechthoekige zusterkoor is hier duidelijk herkenbaar. Ten opzichte van de toenmalige toestand is het kloosterdomein thans verkleind door de bouw van de voormalige gemeentelijke meisjesschool, Leuvensestraat nummer 117, en de rijwoningen aan de Campionlei en de Leuvensestraat.

Koor en kerktoren werden in de jaren 1923-1925 grondig gerestaureerd; de muren rondom de kerk, aan de Trooststraat en de Leuvensestraat werden in 1937-1938 hersteld en verbouwd naar ontwerp van architect Segers; het is bij deze verbouwing dat de thans nog bestaande kantelen werden toegevoegd.

Circa 1980 werd het klooster volledig opgefrist en gerenoveerd; de kapel werd in 1978-1981 gerestaureerd naar ontwerp (1974) van architect A. Bressers; de muren werden gedeeltelijk ontpleisterd zodat de oorspronkelijke zandsteen zichtbaar werd; het hek en het vaalgrijze doek die het zusterkoor afsloten van de overige kerkgangers werden weggehaald. Een vervallen varkensstal in de tuin werd getransformeerd tot kluis waarin elke zuster zich éénmaal per maand een volledige dag afzondert.

De jongste restauratiecampagne naar ontwerp van architectenbureau Bressers, voorzag de algemene buitenrestauratie van de kapel in twee fasen; de derde fase zou de restauratie van het interieur omvatten; de eerste fase, aangevat op 1 september 1995, werd beëindigd in 1997. In 2001 startte de tweede fase, ze werd beëindigd in 2003.

Vandaag vormt het klooster van Onze-Lieve-Vrouw-ten-Troost de oudste actieve karmelietessengemeenschap ter wereld, die ondanks haar beslotenheid steeds een belangrijke rol heeft gespeeld op sociaal-economisch gebied.

Beschrijving

Ommuurd kloostercomplex gelegen op de hoek van de Leuvensestraat en de Trooststraat; de indrukwekkende zeventiende-eeuwse kapel ligt in de zuidwestelijke hoek, het kloosterpand ten noordoosten ervan met aansluitend ten noorden de vroegere annexen met tuin ten oosten. De zandstenen omheiningsmuur, volgens oude foto's oorspronkelijk afgedekt met een ezelsrug, werd naar ontwerp van architect Segers in 1937-1938 voorzien van kantelen; aan de Leuvensestraat is er in de muur een verhoogd gedeelte met een rondboogpoortje onder waterlijst en bekronend heiligennisje. Bij de inkrimping van het domein werd de kloostermuur aan tuinzijde gedeeltelijk verschoven.

De grosso modo georiënteerde kapel, volledig opgetrokken uit zandsteen, vertoont een complexe plattegrond die bestaat uit de originele combinatie van een axiale rechthoekige ruimte, gebouwd als zusterkoor in 1641-1646 (slotkapel), en aansluitend ten oosten een barokke zeszijdige centraalbouw, de publieke devotieruimte, van 1663-1665. Zusterkoor van drie traveeën onder leien schilddak met vierkante toren grenzend aan de derde noordertravee; de noord- en zuidgevels worden geritmeerd door gevelhoge steunberen, waartussen brede rondboogvensters met omlopende druiplijst en vernieuwd maaswerk; gedicht venster onder tuitvormig dakvenster in de westgevel; inwendig is het oorspronkelijke maaswerk van dit venster nog zichtbaar.

Noordertoren van vier geledingen met hoeksteunberen en eenvoudige rondbogige muuropeningen onder waterlijstje; hogerop achtzijdige bekroning, gemarkeerd door hoge galmgaten eveneens onder omlopende waterlijst; barokke, leien bekroning met torenhelm. Vier van de zes zijden van de centraalbouw vertonen een driezijdige absis; de meest oostelijke zijde wordt ingenomen door het rechthoekige koor met driezijdige sluiting en de westelijke zijde vormt een smallere verbindingstravee met het zusterkoor. Ook dit gedeelte, afgedekt door een zeszijdige koepel met lantaarn, wordt gemarkeerd door hoge rondboogvensters met ijzeren harnas en vernieuwd glas in lood onder omlopende waterlijst, doch zonder maaswerk. De toegang tot de kerk bevindt zich in de zuidwestelijke absis en vertoont een rondboogpoort in een vrij zware omlijsting tussen voluutvormige vleugelstukken en bekroond door een driehoekig fronton met in barokstijl uitgewerkt engelenhoofd in het frontonveld; aan de binnenzijde bevindt zich boven het portaal een houten cartouche met het jaartal 1669. Bepleisterd en homogeen beschilderd interieur met in het sterk verhoogde zusterkoor een kruisribgewelf waarvan de ribben en gordelbogen samenkomen op een uitgewerkte console met een heiligennis; in de centraalbouw worden de van cassetten voorziene ribben en scheibogen opgevangen door als putti uitgewerkte consoles en pijlers met gevarieerde kapitelen of composietpilasters; decoratief uitgewerkte gewelfvlakken met blinde oculi tussen voluutvormige vleugelstukken; in de zijkapellen en het koor tenslotte worden de ribben opgevangen door uitgewerkte consoles.

Het oorspronkelijke meubilair is nagenoeg verdwenen met uitzondering van het gestoelte voor de zusters en het orgel, geplaatst in 1907-1908 door J. Stevens uit Duffel.

Het kloosterpand is verbonden met de kerk en bestaat uit vier vleugels van twee bouwlagen onder aaneensluitende zadeldaken met dakkapellen, geschikt rondom een grotendeels begraasd binnenhof of pandhof met Calvarie: het Sint-Niklaas- of refterpand ten noordoosten, het verrijzenispand ten zuidoosten, het sacristiepand ten zuidwesten en het koorpand ten noordwesten. Het uitzicht van deze in kern traditionele vleugels is vrij heterogeen en vertoont sporen van diverse verbouwingen en sterke renovaties.

Het refterpand is het oudste gedeelte van het klooster en klimt op tot de periode van het Sint-Niklaasgasthuis; naderhand werd het echter meermaals aangepast. Aan de binnenplaatszijde telt deze vleugel acht traveeën met een bakstenen lijstgevel, horizontaal geritmeerd door een natuurstenen plint en dito muurbanden, bovenaan onderbroken voor steigergaten; aangepaste muuropeningen, respectievelijk rondbogig en rechthoekig. De verankerde achtergevel werd volledig opgetrokken uit zandsteen en wordt thans geopend door rechthoekige vensters in vernieuwde zandstenen omlijsting waarvan de rechtstanden een kwarthol beloop vertonen. De overluifelde deur rechts draagt het jaartal 1782 in het bovenlicht. Inwendig bevat deze vleugel de refter met achttiende-eeuws stuclijstwerk en een in 1979 gemoderniseerde keuken, naar verluidt ter plaatse van een oudere kapel; aan deze toestand refereren nog twee in de gang ingemetselde grafsteentjes van 1736 en 1783. De vroegere cellen met lemen tussenwanden op de bovenverdieping werden verwijderd in 1979-1980 en vervangen door kleine kamers; van de oorspronkelijke toestand rest nog een gedeelte van de balkenstructuur.

Het verrijzenispand en het sacristiepand, beide opklimmend tot 1682-1683 hebben aan binnenplaatszijde een verankerde bakstenen lijstgevel met sterk gelijkend uitzicht: een natuurstenen plint, brede segmentboogvensters beneden, smallere boven. Bijkomende steigergaten in het verrijzenispand. Inwendig vertonen deze vleugels geplafonneerde gangen met zichtbare moer- en kinderbalkenstructuur; de vloeren van zwarte en witte tegels hebben verspringende patronen, in de verrijzenisgang met ingewerkte grafsteentjes van vroegere religieuzen. Een nis in de sacristiegang bevat een gepolychromeerde beeldengroep "De graflegging" van de hand van Thomas Hazart (1591-1610).

Het koorpand tenslotte vertoont aan de binnenplaats een sobere bakstenen lijstgevel met natuurstenen plint en steigergaten; de rechthoekige, op de benedenverdieping verlaagde, vensters hebben op diverse plaatsen steenmerken in hun vlakke arduinen omlijsting; volgens een gecatalogeerde lijst van gekende steenmerken zijn dezelfde tekens terug te vinden in College De Valk, Tiensestraat nummer 41 te Leuven, waar ze op basis van een bouwopschrift op het poortgebouw 1782 gedateerd werden; merkwaardig genoeg vinden we dit jaartal ook terug in Den Troost in het bovenlicht van een deur in de noordoostgevel; vermoedelijk wijst het jaartal op grondige herstellings- of aanpassingswerken in deze periode. Een thans volledig nieuw ingerichte huiskapel met het miraculeuze Mariabeeld vond hier een onderkomen.

In de hoek gevormd door het koor- en sacristiepand is er een trapzaal met kruisribgewelf die verbinding geeft met het zusterkoor; de natuurstenen treden van de trap zijn sterk uitgesleten door jarenlang intensief gebruik. Het klooster bezit nog een fraaie verzameling van beelden en schilderijen, waarvan er tijdelijk een aantal ontbreken omwille van restauratiewerken.

Ten noorden van het kloosterpand en opgenomen in de witgekalkte omheiningsmuur aan de Trooststraat liggen de sterk gerenoveerde resten van de vroegere annexen: zo doet de vroegere strijkplaats thans dienst als recreatiezaal; het aangrenzende koetshuis behield zijn korfbogige muuropeningen en rechteraandak met top- en schouderstukken en vlechtingen; het aangrenzende gedeelte bewaarde zijn rood/zwarte tegelvloer en een achttiende-eeuwse trap die zou afkomstig zijn uit de kerk.

Ten zuidoosten van de kerk ligt het voormalige gastenkwartier met onder meer een spreekkamer en een gastenverblijf, zie plan de P.J. De Rijcke (1799). Deze constructie, naderhand omgevormd tot rectorshuis, klimt op tot de zeventiende eeuw en is toegankelijk via de Leuvensestraat nummer 91; aan de achterzijde uitgevend op een kleine binnentuin.