Klik op de kleine foto om verder of terug te gaan

Dominicanenklooster (mattekot)

A. Kloostergeschiedenis
Veel kloosters kozen Vilvoorde als vestigingsplaats – boven andere Brabantse steden. De reden daarvoor kennen we niet. Vilvoorde was op dat ogenblik nochtans een klein en dunbevolkt stadje. In de 17de eeuw kiezen ook de dominicanen voor Vilvoorde. De dominicanen of predikheren waren bedelmonniken, net zoals de Franciscanen. Ze werden berucht voor hun aandeel in de inquisitie waarmee Paus Gregorius IX hen vanaf 1231 had gelast. Daarom werden ze in de middeleeuwen al spottend “Domini Canes” (“Honden van de Heer”) genoemd. Filip Van Busleyden wordt beschouwd als stichter van het vicariaat van de dominicanen te Vilvoorde. Bij zijn intrede bij de predikheren van Brussel schenkt hij een aanzienlijke som waarmee Petrus Malpé, prior van het klooster te Brussel, in Vilvoorde huizen en erven kan kopen. De predikheren sluiten in 1623 een overeenkomst met de stad Vilvoorde om er een vicariaat op te richten voor minstens 8 kloosterlingen en een Latijnse school. Op 1 mei van datzelfde jaar worden ze plechtig ontvangen in de stad door de lokale clerus en de stadsmagistraat. Het begin van bijna 2 eeuwen kloostergeschiedenis… De woning van Maria Van Boischot, weduwe van fiscaal advocaat Maes, is het eerste eigendom dat de dominicanen aankopen (1623). Dit domein langs de Lange Molensstraat bestond o.a. uit huis, hof, stallingen, waterput, schuur en poort. Ondanks hun gelofte van armoede is de dominicanerorde financieel zeer succesvol en op relatief korte periode kunnen ze verschillende, aanpalende gebouwen kopen. Halverwege de 17de eeuw zijn ze in bezit van een groot terrein begrensd door de Lange Molensstraat, de Vissersstraat, de Zenne en de Woluwe: grosso modo het huidige administratief centrum Mattenkot en de gebouwen van KTA Campus De Brug. In 1686 promoveert het vicariaat tot klooster. De gravure van Harrewijn uit 1715 geeft ons een mooi beeld van het klooster op zijn hoogtepunt. We zien de o.a. kloosterkerk, de collegegebouwen, een speelplaats, een brouwerij, een wasplaats en een grote kloostertuin. Er zijn twee aparte refters: één voor de leerlingen en één voor de monniken. De Verlichting en de Franse Revolutie betekent een zwarte bladzijde in de geschiedenis van de Vilvoordse dominicanen. In 1783 kondigt keizer Jozef II een decreet af voor de opheffing van “nutteloze” kloosters: de bezittingen van heel wat kloostergemeenschappen die zich niet met onderwijs, zieken- of zielzorg bezighielden zullen worden verkocht. Dankzij de Latijnse school ontsnappen de dominicanen aan afschaffing en openbare verkoop. Maar de gouden tijd van het klooster was wel voorbij. Het klooster is niet meer rendabel, in 1791 zijn er zelfs geen studenten meer. De leegstaande collegegebouwen worden dan maar gebruikt als soldatenkwartier. Niet minder dan 200 soldaten kunnen er ondergebracht worden. In 1792 wordt het gebouw kort ingericht als militair hospitaal. De Franse revolutionairen die ons land in 1794 binnenvielen tekenen het doodvonnis van het klooster. Het klooster wordt afgeschaft, de plaatscommandant legt beslag op de helft van de groenten uit de hof van de paters en de gebouwen worden opnieuw ingepalmd door soldaten. De kloostergemeenschap telt op dat ogenblik 17 personen: 11 religieuzen en 6 lekenbroeders. Op 6 november 1796 worden ze uit hun eigen klooster gezet. Dominique Verdickt, de laatste 2 prior (1795), moet lijdzaam toekijken hoe het klooster openbaar wordt verkocht. Dit betekent het einde voor de orde der dominicanen in Vilvoorde…

B. Industriële geschiedenis
Na de opheffing van het klooster komt in de gebouwen van het college een koffiehuis. Maar tegen 1820 is al een groot deel van het klooster gesloopt: de collegegebouwen en de oostelijke en zuidelijke kloosterpanden waren dan al verdwenen. De overgebleven gebouwen worden aangepast aan de veranderde omstandigheden. In de 19de en 20ste eeuw gebruikt men het klooster vooral voor industriële activiteiten.
In 1830 krijgt Rey-Hauwaert toelating om een katoenfabriek te mogen oprichten in het voormalige predikherenklooster. De bebouwing langs de Lange Molensstraat wordt in 1843 onderverdeeld in verschillende arbeiderswoningen en ook langs de Vissersstraat komen kleine huisjes. Nadien komt het kloostercomplex achtereenvolgens in handen van Adrien Hauwaert (1852), de kinderen van Floribert Rey-Hauwaert (1852) en Fondu-Staadt (1870), die er een fabriek opricht voor de fabricage van spoorwegmateriaal. De fabriek blijft onder de benamingen “Manufacture de Vilvorde de J.-B. Fondu” (1891) en “Société Generale d’Accessoires pour Chemin de Fer” (1892) ijzerwerk produceren tot de activiteiten worden verhuisd naar een nieuwe fabriek.
In 1895 wordt Xavier Buisset eigenaar van de vroegere kloostersite. Hij verhuurt de resterende kloostergebouwen aan de “Société des Ciments et Plâtres Artistiques”, een cementfabriek. Vanaf 1904 vestigt de “Compagnie Indienne” er zich. Dit bedrijf, opgericht door C. Hellin, maakt er matten en tapijten in kokosvezels. Van dan af zou het oude klooster in de volksmond smalend het “Mattenkot” worden genoemd. De industriële gebouwen op de vroegere kloostersite worden zwaar getroffen door ontploffing van de buskruitfabriek Favier – ’t Poeierke – op 31 mei 1919. De site ligt er van dan af troosteloos bij.

C. Nijverheidsschool
Vanaf 1932 worden de gebouwen gebruikt als Nijverheidsschool, eerst ingericht door het stadsbestuur, vanaf de jaren ’50 overgenomen door de Staat. De oude kloostergebouwen – en vooral het gebouw langs de Lange Molensstraat – bevinden zich wel in zeer slechte staat: de eiken balken zijn verrot, het dak verkeert in slechte staat en vocht doordringt het hele gebouw. Bij de verbouwing worden de verschillende vleugels functioneel heringericht.
Voor de inrichting van deze Nijverheidsschool moet het stadsbestuur wel Xavier Buisset onteigenen. De rechtzaak over de onteigeningsvergoeding zou aanslepen tot in de jaren ’30. Pikant detail: Xavier Buisset is burgemeester van de stad Vilvoorde wanneer de allereerste plannen werden gemaakt voor de herbestemming van de vroegere kloostersite. Immers, in 1922 al was aan architect Daniël Francken opdracht gegeven een ontwerp op te stellen voor volksbaden, op te richten op de vroegere loop van de Woluwe, op de (vervallen) terreinen van Buisset. Dit project zou niet worden gerealiseerd.
Vanaf de jaren ’60 verdwijnt het industriële karakter van de site. De arbeiderswoningen naast de toegangspoort in de Lange Molensstraat worden afgebroken rond 1965, de huisjes in de Vissersstraat verdwijnen 5 jaar nadien. De industriële gebouwen, opgericht door Fondu-Staadt, worden gesloopt wanneer de nieuwe gebouwen van het huidige KTA Campus De Brug worden opgetrokken. De resterende gebouwen van het oude klooster worden op 16 juni 1978 beschermd omwille van hun artistieke en historische waarde. In 1999 koopt het stadsbestuur het gebouw opnieuw aan voor meer dan 18 miljoen BEF.

D. Administratief centrum Mattenkot
De werken aan het gebouw starten in september 2009, op 14/12/1912 kon het gebouw worden ingehuldigd. De totale kostprijs van de renovatie bedraagt 14 miljoen. De architect van de renovatie was architect Deketelaere en gebeurde met respect voor het historische karakter van het gebouw o.a. door
- Bewaring van een aantal oorspronkelijke vensters of het herstellen van het uitzicht van de oorspronkelijke raamindeling
- Bepleisteren van de muren op de oude methode met kalk en koeienhaar
- Behoud oorspronkelijke, 17de eeuwse dakspanten
- Behoud bakstenen kruisgewelven en steunzuilen en een natuurstenen spiltrap uit 1644 in de kelders
 

Bron: Toeristische Dienst Stad Vilvoorde